schoolgids

6. De zorg voor kwaliteit

6.1 Verantwoordelijkheid

De verdeling van taken en bevoegdheden tussen directie en bestuur is vastgelegd in een directiestatuut. De school werkt met drie bouwcoördinatoren, voor elke bouw(onderbouw, middenbouw en bovenbouw) een. Bouwcoördinatoren, coördinator leerling-zorg en directeur hebben regelmatig overleg. De directeur is eindverantwoordelijk. De interne begeleiding volgt het proces van de leerling-zorg en bewaakt het aanbod en de continue lijn in de school. Er is regelmatig overleg tussen IB-ers en directeur om een goede afstemming te krijgen.

6.2 Zorg voor kinderen en interne begeleiding

Interne begeleiding

Op onze school werken we met twee intern begeleiders (IB-ers).Zij coördineren de zorg op de 2e Daltonschool. Dat betekent onder andere dat zij de hulp voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, aansturen.

De IB-er adviseert en ondersteunt de groepsleerkracht bij het nemen van maatregelen voor de groep of voor een individuele leerling. Als een kind bijvoorbeeld achterblijft of vooruit loopt in zijn ontwikkeling kan een aangepast programma samengesteld worden. Voor kinderen met speciale behoeften wordt een handelingsplan opgesteld. Dit kan een plan zijn dat uitgevoerd wordt door de eigen leerkracht, het kan ook gebeuren dat een remedial teacher de extra hulp verzorgt. Ons uitgangspunt is dat kinderen begeleid worden in hun groep zodat ze zich geen uitzondering gaan voelen. In sommige gevallen is nader onderzoek naar de oorzaak van de problemen gewenst. In dat geval kan er besloten worden tot het inschakelen van een externe deskundige. In alle gevallen van extra zorg worden de ouders door de leerkracht geïnformeerd. Ouders worden zoveel mogelijk bij de stappen in de zorg voor hun kind betrokken.

Daarnaast voert de IB-er samen met de leerkracht overleg met externe deskundigen, zoals medewerkers van de schoolbegeleidingsdienst (ABC), van Bureau Jeugdzorg, de schoolmaatschappelijk werkster enz.

Voor de ouders blijft de leerkracht altijd het eerste aanspreekpunt. Als er zorgen zijn om een kind kan de intern begeleider betrokken worden bij de gesprekken met de ouders. De intern begeleider heeft de coördinatie van alle interne hulp aan kinderen en is contactpersoon voor alle externe hulpverleningsinstanties.

Leerlingvolgsysteem

Ieder kind is uniek en heeft zijn eigen ontwikkeling en capaciteiten. Door middel van een digitaal leerlingvolgsysteem worden de ontwikkelingen van de kinderen en hun schoolse prestaties nauwkeurig gevolgd. Dit gebeurt zowel door toetsing met methodegebonden toetsen als door toetsing met CITO toetsen (methode onafhankelijke toetsen).

In groep 7 doen onze kinderen mee aan de CITO entreetoets, in groep 8 aan de CITO eindtoets.

De vorderingen worden zowel op groeps- als op individueel niveau geanalyseerd en besproken in een overleg met leerkracht en intern begeleider. Bij deze bespreking worden afspraken gemaakt voor aanpak van uitval naar boven en naar beneden. Dit overleg vindt twee keer per jaar plaats.

Daarnaast is er minimaal twee keer per jaar een overleg van de intern begeleider met de leerkracht over kinderen waarover de leerkracht zich zorgen maakt. Bij deze bespreking is een psychologe van de schoolbegeleidingsdienst ( het ABC ) aanwezig.

Leerling-dossiers

In leerling-dossiers worden o.a. persoonsgegevens, verslagen van leerling-besprekingen en met ouders, onderzoeksrapporten en observatieverslagen bewaard. Deze dossiers worden beheerd door de intern begeleiders. De gegevens in de leerling-dossiers zijn vertrouwelijk. Leerkrachten, directie en ouders hebben recht op inzage van de dossiers.

Overgang naar een volgende groep

Niet alle leerlingen ontwikkelen zich in een zelfde tempo. Sommige leerlingen hebben langere tijd nodig om zich bepaalde zaken eigen te maken en anderen hebben een voorsprong in de ontwikkeling. Het kan gaan om de sociaal-emotionele ontwikkeling, maar ook om de cognitieve ontwikkeling, de werkhouding en de concentratie. Daarom is het soms nodig dat een kind een jaar langer in een groep blijft.

Mocht een leerkracht vinden dat er sprake zou moeten zijn van verlenging van de onderbouw of van een doublure (midden- en bovenbouw), dan gaat deze daar tijdig over in gesprek met ouders en intern begeleider. Dit gebeurt uiterlijk in mei. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het besluit ligt bij de directeur. Voor de kinderen met uitsluitend hoge scores heeft de school extra aandacht in de vorm van een aangepast leerstofprogramma. We hebben gekozen voor verbreding van het leerstofaanbod en schrappen in het standaard les aanbod. Om ervoor te zorgen dat deze kinderen voldoende uitdaging vinden in de leerstof en dat ook zij ‘leren leren’ hebben we binnen onze zorgstructuur ruim aandacht voor deze groep.

Nieuwe, tussentijds aangemelde leerlingen

Zie ook 7.5. Bij een aanmelding van een leerling van een andere school bijvoorbeeld na een verhuizing, vindt een gesprek plaats tussen de directeur en de ouders. Daarna wordt er contact opgenomen met de school van herkomst. Gegevens over het functioneren van het kind worden uitgewisseld zoals een overzicht van het leerlingvolgsysteem en een uitgebreid onderwijskundig verslag. Daarnaast doet de intern begeleider een intake met het kind. Op deze manier proberen we zo zorgvuldig mogelijk te kijken in welke groep de leerling het best geplaatst kan worden.

In principe worden alle leerlingen toegelaten tot onze school, tenzij de school niet kan voorzien in de specifieke behoeften van het kind. Het kan voorkomen dat er sprake is van uitzonderlijke en/of zware problematiek waarvoor wij niet over de juiste begeleidingsmogelijkheden beschikken. Uitgangspunt bij plaatsing van een leerling is in de eerste plaats: kunnen we het kind de zorg bieden die het nodig heeft.

Bij de afweging voor plaatsing spelen nog meer factoren een rol. Er wordt onder andere gekeken naar de groepsgrootte, het aantal zorgleerlingen in een groep, de mogelijkheden van extra ondersteuning en individuele begeleiding, de omvang en aard van de ambulante begeleiding, de deskundigheid en inzet van de leerkrachten, de aanwezigheid van een remedial teacher, afstand en vervoer en mogelijkheden voor technische aanpassingen van school en klaslokaal. De grenzen aan wat we kunnen bieden, hebben we vastgelegd in een zorgprofiel.

Begeleiding in het kader van Passend Onderwijs

Als er bij een kind sprake is van leer- en/of gedragsproblematiek proberen we eerst altijd of we zelf het kind voldoende ondersteuning kunnen bieden.

Wanneer blijkt dat onze inspanning uiteindelijk onvoldoende effect heeft, kan het kind aangemeld worden voor een observatie, een onderzoek, adviesaanvraag en/of ondersteuning bij een externe instantie. Voor de aanmelding vragen we toestemming van de ouders. Soms is het nodig dat er extra zorg wordt aangevraagd voor kinderen met een beperking, de leerling gebonden financiering (LGF ook bekend als het 'rugzakje'). Een rugzakje geeft ouders de mogelijkheid te kiezen voor een gewone school in de buurt of voor een speciale school. De extra middelen zorgen ervoor dat de school ondersteuning krijgt bij de zorg voor een kind met een beperking. Ons streven is om de hulp zoveel mogelijk in de groep en samen met de andere leerlingen te laten plaatsvinden. Ondanks alle zorg komt het soms voor dat wij over onvoldoende expertise beschikken om het kind met specifieke behoeften voldoende te ondersteunen . In dat geval zullen we samen met de ouders op zoek gaan naar een school die de specifieke zorg wel kan bieden.

Kinderen die gediagnosticeerd meer aankunnen en de ‘peergroup’ nodig hebben, worden door de intern begeleider (in overleg met de leerkracht) in groepjes geplaatst. In de eigen klas werken ze met een compacte rekenlijn en werken ze aan eigen projecten, waarvoor de afspraken en begeleiding met de leerkrachten van de extra les gemaakt worden. Daarnaast besteden we aandacht aan filosofie en gaan we dieper in op allerlei onderwerpen (sommige actueel, sommige gebonden aan een onderwerp uit de methode) en thema’s.

Schoolmaatschappelijk werk

Op alle scholen in Amsterdam is schoolmaatschappelijk werk gerealiseerd. Op onze school is de schoolmaatschappelijk werkster een maal per twee weken drie uur op onze school aanwezig.

Schoolmaatschappelijk werk op de 2e Dalton
In een gezin doen zich allerlei grote en kleine problemen voor. Dat is normaal en meestal
komt er vanzelf een oplossing.
Soms weet u als ouder niet wat u moet doen. Opvoeden is soms moeilijk en zwaar.
Problemen die zich kunnen voordoen zijn bv:
• Druk en dwars gedrag van kinderen
• Zelfvertrouwen en weerbaarheid van kind en/of ouder
• Gezondheidsproblemen van kind of ouders
• Relatie met het kind
• Relatie kinderen onderling (bijv. pesten)
• Echtscheidingsproblemen, bezoekregeling
• Rouwverwerking
• Verslaving (alcohol, drugs)

De leerkracht merkt vaak aan het gedrag, de concentratie of de leerhouding van uw kind dat er wat aan de hand is. Als een probleem binnen de school ligt, zullen leerkracht en intern begeleider er alles aan proberen te doen om de situatie op te lossen.
Als in gesprek met ouders blijkt dat er thuis ook moeilijkheden zijn, hebben ouders de mogelijkheid om een afspraak te maken met onze schoolmaatschappelijk werker Judith Pelgrom van stichting Altra.
Via de leerkracht of de internbegeleider kan je je aanmelden voor een intake-gesprek.

Rapportage aan de ouders

De rapportage aan de ouders gebeurt zowel mondeling als schriftelijk volgens onderstaand schema.

Rapportagemomenten:

1 November Mondelinge rapportage (10-minuten gesprek) groep 1 t/m 7
  December Mondelinge rapportage groep 8 (adviesgesprek)
2 Februari Schriftelijke rapportage groep 3 t/m 7 (1e rapport)
  Februari Schriftelijke rapportage groep 8 met behulp van het OKI-doc
3 Februari Mondelinge rapportage gekoppeld aan schriftelijke rapportage groep 3 t/m 8
4 Juni Schriftelijke rapportage groep 1 t/m 8
5 Juni Mondelinge rapportage gekoppeld aan schriftelijke rapportage (facultatief voor groep 3 t/m 8, voor groep 2 verplicht)

Elk kind krijgt elk schooljaar een rapport op de afgesproken momenten met uitzondering van de kinderen die 4 jaar worden na 1 oktober. Een rapport van de onderbouw wordt meegegeven op het einde van het eerste volledige schooljaar in groep 1 en eind groep 2. Bij een mondelinge rapportage worden in ieder geval de schoolresultaten en het gedrag/werkhouding besproken. Tevens kan er informatie worden uitgewisseld over de situatie thuis.

Er is een rapportversie voor groep 1,2, 3 t/m 5 en 6 t/m 8. Het rapport wordt aan de leerlingen uitgedeeld voorafgaand aan het 10-minuten gesprek. Uiteraard kunnen ouders altijd tussentijds informatie krijgen over hun kind. Maakt u in dat geval wel even een afspraak met de leerkracht of (indien van toepassing) met de intern begeleider. Wij zullen contact met u opnemen als daar reden voor is.

6.3 Begeleiding van kinderen naar het voortgezet onderwijs via de kernprocedure

De overgang naar het voortgezet onderwijs begeleiden we via een vastgelegd tijdpad dat door alle scholen in Amsterdam gevolgd wordt: de zogenaamde kernprocedure. Hierin komen de voorbereiding, de schooladviesgesprekken, de schoolbezoeken, de Citoresultaten en de uiteindelijke schoolkeuze aan de orde.

Gestart wordt in groep 7 met de afname van de Cito-entreetoets. In groep 8 vindt in het najaar een informatieavond plaats voor ouders. Tijdens die avond krijgt u uitleg over de verschillende vormen van voortgezet onderwijs en over de wijze waarop een schooladvies tot stand komt.

In groep 8 wordt in de maand februari bij elk kind de zogenaamde Cito-eindtoets afgenomen. Zowel de Cito-entreetoets als de Cito-eindtoets meet de prestaties op het gebied van lezen, taal, spelling, rekenen en informatieverwerking.

In december, dus al voor de afname van de Cito-eindtoets, zijn er adviesgesprekken van de leerkracht met ouders en kind. In dat gesprek wordt het advies geformuleerd met betrekking tot het type vervolgonderwijs. Daarbij vormen niet alleen de leerprestaties van het kind het uitgangspunt, maar ook interesse, inzet, motivatie, werkhouding, enz. Dit advies kan niet door de ouders gewijzigd worden: het is en blijft het advies van de school.

De leerlingen van onze school gaan vooral naar de volgende scholen voor voortgezet onderwijs:

Spinoza Lyceum Daltonscholengemeenschap (VWO, HAVO, VMBO)
Barlaeusgymnasium (VWO)
Vossiusgymnasium (VWO)
Het Amsterdams Lyceum (VWO)
St. Ignatiusgymnasium (VWO)
Hervorm Lyceum Zuid (VWO, HAVO)

6.4 Leerlinggebonden financiering (LGF of 'het rugzakje')

Op 1 augustus 2003 is de nieuwe wettelijke 'Regeling leerling gebonden financiering' in werking getreden. Vanaf dat moment bestaat de mogelijkheid voor leerlingen met een handicap om op een reguliere basisschool onderwijs te volgen. Ouders hebben dan de mogelijkheid om te kiezen tussen een gewone school in de buurt of een school voor speciaal onderwijs.

De extra middelen die voor een kind met een handicap of stoornis nodig zijn om onderwijs te volgen, gaan als het ware in een rugzakje mee als het naar de reguliere school gaat.

In principe worden gehandicapte leerlingen toegelaten onder bepaalde voorwaarden, tenzij de complexiteit van de handicap niet hanteerbaar is voor onze school. De grens van toelating van gehandicapte leerlingen tot het reguliere basisonderwijs ligt daar, waar fysieke en/of leer- en gedragsproblemen kunnen leiden tot een zodanige verstoring van de voortgang van de onderwijsleerprocessen, dat handhaving redelijkerwijs niet van een schoolteam mag worden verwacht.

Bij aanmelding van een kind met leer- en/of gedragsproblemen bekijken we het verzoek van de ouders om plaatsing van het kind van twee kanten, zowel die van de ouders als die van de school. Uitgangspunt bij plaatsing van de leerling is: kunnen we de zorg bieden die het kind nodig heeft ? Vragen over de grootte van de groepen, het aantal zorgleerlingen in de groep, de mogelijkheden van extra ondersteuning en de individuele begeleiding, de omvang en aard van de ambulante begeleiding, de deskundigheid en inzet van leerkrachten, de aanwezigheid van een remedial teacher, afstand en vervoer en mogelijkheden voor technische aanpassingen van school en klaslokaal spelen een rol.

Op onze school worden bij een aanmelding van

  1. een leerling met een positieve beschikking van een commissie voor de indicatiestelling (ook wel een leerling met een rugzak genoemd),
  2. een leerling met een positieve beschikking van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) van het samenwerkingsverband WSNS (Weer Samen Naar School),
  3. een leerling die wordt teruggeplaatst van een speciale school,

aan de hand van de individuele onderzoeksresultaten, de onderwijskundige vragen van het kind doorgenomen. Vervolgens wordt aan de hand van deze onderwijskundige vragen en het zorgprofiel van de school bezien of de school in staat is de onderwijskundige antwoorden te bieden.

Centraal in die beantwoording staat het belang van het kind en de mogelijkheden van de school om het ontwikkelingsproces van het kind te ondersteunen. De school maakt bij die beantwoording gebruik van de ondersteuning van bijvoorbeeld een school aangesloten bij een Regionaal Expertise Centrum (REC) en/of van de mogelijkheden die het samenwerkingsverband WSNS biedt.

Wanneer een kind met een handicap is toegelaten tot een gewone school, maakt de school afspraken met de ouders. Die afspraken gaan over het onderwijs dat het kind gaat krijgen en over de doelen die de school voor het kind nastreeft. Dit gebeurt in overleg met de ambulante begeleider van een speciale school in de regio. De afspraken komen in een handelingsplan te staan dat elk jaar wordt bijgesteld.

Voor meer informatie hieromtrent:

6.5 Inrichting van onze kwaliteitszorg

 

De inhoud die het bevoegd gezag, maar zeer zeker ook de schoolleiding, leerkrachten en ouders aan de kwaliteit van de school geven of wensen te geven is verwoord in de visie.
De meerjarenbeleidvoornemens geven aan op welke wijze die kwaliteit ingevuld wordt.
Op twee manieren wordt vastgesteld welke maatregelen vereist zijn voor de verbetering van de kwaliteit.
Ten eerste gebeurt dit door de systematische en geplande uitvoering van de strategische analyse bij de start van de 4-jarige beleidscyclus. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de interne en externe diagnose op schoolniveau. De interne diagnose levert belangrijke gegevens voor de resultaten van het onderwijs. De externe diagnose levert vooral informatie over de beeldvorming bij de ouders, leerlingen en teamleden over de school en over de verwachte gevolgen van externe ontwikkelingen voor de school .
Ten tweede gebeurt dit door de jaarlijks terugkerende koppeling van handelen en denken. Het veranderde en/of verbeterde handelen in de praktijk wordt getoetst aan de visie en eventueel komt er een aanscherping van de visie. Hierdoor wordt tevens de kwaliteit bewaakt.
Daarnaast wordt op leerling-niveau de kwaliteit van het onderwijs bewaakt door toetsing, methodegebonden en niet methodegebonden, dagelijkse observatie, registratie, samenhangend systeem van leerlingen zorg. Dit alles aangevuld met klassenbezoek(en), functioneringsgesprekken en een open communicatie binnen het team.
In onze school waar vrijheid, zelfstandigheid en samenwerking de drie principes zijn waarop ons onderwijs is gebouwd, is het belangrijk leerlingen in hun schoolse prestaties nauwkeurig te volgen. Het geeft de leerkracht de mogelijkheid zo goed mogelijk aan te sluiten bij de capaciteiten van het kind. Hiertoe wordt er van ieder kind een digitaal leerling-dossier aangelegd waar alle toets- en overige belangrijke gegevens instaan. Zijn de problemen van een leerling van dusdanige aard dat de leerling speciale hulp nodig heeft, dan wordt er een handelingsplan opgesteld. Het kan zijn dat er besloten wordt tot een pedagogisch-didactisch onderzoek. Ook kan blijken dat een vollediger onderzoek noodzakelijk is. Deze worden gedaan door externe deskundigen. Altijd worden de ouders zoveel mogelijk bij deze stappen betrokken en om toestemming gevraagd.

6.6. Resultaten van het onderwijs

Tweemaal per jaar, aan het begin en in het midden van het schooljaar worden in het leerlingvolgsysteem de Cito-toetsen afgenomen. De resultaten worden per kind en per groep geregistreerd en in de dossiers bewaard.
In Amsterdam maken alle leerlingen in het laatste jaar van de basisschool een Cito-toets, behalve de niet-Nederlandstalige leerlingen die minder dan twee jaar in Nederland zijn. Amsterdam streeft ernaar de Cito-eindscores van Amsterdamse leerlingen op of boven het landelijke gemiddelde te brengen. De Amsterdamse basisscholen hebben dit met elkaar afgesproken binnen de kaders van ‘Jong Amsterdam'.
Door middel van de Cito-toets (ook wel 'Eindtoets Basisonderwijs' genoemd) worden de kinderen in groep 8 op hun kennis en vaardigheden getest. Daarbij wordt gekeken naar de volgende vier onderdelen: taal, rekenen, informatieverwerking en wereldoriëntatie.

Het basisschooladvies voor het vervolgonderwijs wordt uitgebracht voordat de Cito-eindtoets wordt afgenomen. Dit schooladvies is tezamen met de uitkomst van de toets het uitgangspunt voor de schoolkeuze. Het schooladvies wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria: intelligentie en niveau, zelfstandigheid, tempo, werkhouding en belangstelling. Daarnaast wordt gekeken naar de sociaal-emotionele en creatieve vaardigheden van het kind. Mocht de uitslag van de eindtoets afwijkend zijn van het schooladvies, dan volgt nader overleg.
Bij de openbare scholen van Stichting Openbaar Onderwijs aan de Amstel wordt de Cito-toets afgenomen bij in principe alle leerlingen van groep 8.

De uitslagen van de Cito-eindtoets in groep 8 worden gemeld aan de inspectie en aan het schoolbestuur en vervolgens wordt de behaalde schoolscore op de website van de school geplaatst.

In deze schoolgids worden drie verschillende gemiddelde Citoscores van de school gepubliceerd:
1. De score zonder correctie : het gemiddelde van de school vergeleken met de gemiddelden van alle deelnemende scholen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met kenmerken van onze school of leerlingen.
2. De score met correctie LG: geeft een vergelijking van het schoolgemiddelde met dat van scholen die, gelet op de sociaal-culturele achtergrond van de leerlingen, met onze school vergelijkbaar zijn. Daarom corrigeren we in Schoolrapport correctie LG de gemiddelde scores voor de samenstelling van school in percentages leerlingen met een bepaald leerlinggewicht.
3. De score met correctie LG en BL corrigeert de prestaties voor zowel het percentage leerlingen met een bepaald leerlinggewicht als de vaardigheid van de leerlingen op Begrijpend lezen als indicator voor de intelligentie van uw leerlingen.

Op www.onderwijs.amsterdam.nl onder de kop ‘nieuws’ staan op de site van Jong Amsterdam de jaarlijkse Citoscores van de scholen in Amsterdam vermeld.

De Citoscores van de afgelopen schooljaren:

Jaar Ongecorr. Gecorr.LG  Gecorr. LG en BL
2011 543,7 540,7 537,5
2010 545,8 542,8 538,0
2009 543,8    
2008 543,7    

 

Het landelijk gemiddelde (gecorrigeerd LG) van een categorie 3 school (Categorie 3 is gekoppeld aan het opleidingsniveau van de ouders) was in:
2011 536,4 (en voor de 4 grote steden 536,0)
2010 534,9
2009 537,8
2008 538,1
 

 

Deze cijfers alleen zeggen niet zoveel. We gaan dit toelichten.
Op deze toets kun je minimaal 501 punten halen en maximaal 550 punten.

Leerlinggewicht
Elke leerling heeft een bepaald leerlinggewicht. Leerlinggewichten worden toegekend in het kader van het Formatiebesluit WPO (Wet Primair Onderwijs). Dat besluit regelt de formatie voor bestrijding van onderwijsachterstanden. Voor het bepalen van het gewicht van de leerling is het van belang te weten welke opleiding de ouders hebben gevolgd. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in drie opleidingscategorieën:
Categorie 1 Maximaal basisonderwijs of (v)so-zmlk. De ouder heeft maximaal basisonderwijs (tot en met het dertiende levensjaar) of (v)so-zmlk gehad.
Categorie 2 Maximaal lbo/vbo, praktijkonderwijs of vmbo basis- of kaderberoepsgerichte leerweg. De ouder heeft maximaal lbo/vbo, praktijkonderwijs of vmbo basis- of kaderberoepsgerichte leerweg gedaan. Of de ouder heeft maximaal twee jaar onderwijs in een andere schoolopleiding in het voortgezet onderwijs aansluitend op het basisonderwijs gehad.
Categorie 3 Overig voortgezet onderwijs en hoger. De ouder heeft een opleiding van drie of vier jaar mavo (c- of d-niveau), drie of vier jaar vmbo gemengde leerweg of theoretische leerweg gehad. Of de ouder heeft meer dan twee jaar havo of vwo gevolgd. Of de ouder heeft een mbo-, hbo- of universitaire opleiding gevolgd.

De nieuwe regeling kent drie gewichten: 0.00, 0.30 en 1.20. De gewichten zijn gekoppeld aan de genoemde opleidingscategorieën.
• Het gewicht 0.00 wordt toegekend aan leerlingen van wie één van de ouders of beide ouders een opleiding heeft gehad uit categorie 3.
• Het gewicht 0.30 wordt toegekend aan leerlingen van wie beide ouders of de ouder die belast is met de dagelijkse verzorging een opleiding uit categorie 2 heeft gehad.
• Het gewicht 1.20 wordt toegekend aan leerlingen van wie één van de ouders een opleiding heeft gehad uit categorie 1 en de ander een opleiding uit categorie 1 óf 2.

De 2e Dalton heeft een leerlinggewicht van 0,00, we vallen onder categorie 3.

Voor de afgelopen drie schooljaren geldt dat wij boven het voor ons geldende, landelijk gemiddelde gescoord hebben.
Veel mensen willen aan de uitslagen van de CITO-eindtoetsen graag de kwaliteit van de school afmeten. Daar zijn de toetsen echter niet voor gemaakt. Je kunt niet zeggen: hoe hoger de score, hoe beter de school. Goed onderwijs is van veel meer afhankelijk dan een hoge score op de CITO-eindtoets. Pedagogisch klimaat en het plezier in het naar school gaan van zowel leerlingen als leerkrachten is minstens even belangrijk voor goed onderwijs.
Niettemin is het belangrijk voor de leerlingen om op de CITO-eindtoets naar hun kunnen te presteren zodat ze naar de goede vorm van voortgezet onderwijs kunnen doorstromen. Het is dan ook belangrijk dat de school een adequaat leerstofaanbod heeft. Het niveau op diverse gebieden aan het eind van de basisschool zal voor elk kind verschillend zijn. Tijdens de gehele basisschoolperiode proberen wij zo goed mogelijk met deze verschillen om te gaan.